9 oktober 2006 3e Sectorbijeenkomst Blijvend Vlakke Wegen Parellelle Sessies
Sessie 1: Reële langsvlakheidseisen
Sessie-voorzitter: Maarten Jacobs (CROW) Sprekers: Arjan Grashuis (RWS-DWW), Marco Ooosterveld (BAM), Brecht Wassing (DC-BVW).
Volgens Arjan Grashuis van DWW veranderen de eisen die aan de langsvlakheid van wegen worden gesteld de komende jaren. Hij verwacht dat Rijkswaterstaat als opdrachtgever tot circa 2010 zal uitgaan van restzettingsverschillen: de zettingsverschillen over een afstand van 25 meter niet groter mogen zijn dan 5 centimeter. Daarna zal steeds meer gewerkt worden met echte vlakheidseisen, vergelijkbaar met IRI-waarden. Kernvraag is of de huidige en toekomstige vlakheidseisen reëel en haalbaar zullen zijn ook in gebieden met slappe grond. Grashuis verwacht van wel, mits gekozen wordt voor een werkwijze die het mogelijk maakt om tijdens de uitvoering bij te sturen op basis van monitoringgegevens. Klik hier voor de presentatie van Arjan Grashuis>>>
Marco Oosterveld heeft als opdrachtnemer z’n bedenkingen. Hij geeft aan dat er grote behoefte is aan eenduidige, goed onderbouwde eisen en toetsingsmethoden, zowel bij oplevering van een werk als tijdens de onderhoudsperiode. Volgens hem ontbreekt het op dit moment aan een heldere vertaalsleutel voor het vertalen van vlakheidseisen naar technische ontwerpeisen (restzettingen, restzettingsverschillen). Hij constateert dat de onzekerheid in restzettingsvoorspellingen groot is en het aangeleverde grondonderzoek veelal onvoldoende is om er een prognose van verschilzettingen op te baseren. Klik hier voor de presentatie van Marco Oosterveld>>>
Brecht Wassing geeft aan dat Delft Cluster werkt aan betere voorspellingen door zettingsmodellen te optimaliseren, het benutten van monitoringgegevens en door het verband te zoeken tussen restzetting en vlakheid, in relatie tot een heterogene ondergrond. Klik hier voor de presentatie van Brecht Wassing>>>
Tijdens de discussie wordt door enkelen gesteld dat het de weggebruiker zou moeten zijn die de eisen aan de weg stelt. Dat zou betekenen dat overal, ongeacht de lokale ondergrond, aan dezelfde eisen voor veiligheid en comfort zou moeten worden voldaan. Anderen brengen hier tegenin dat het niet realistisch is de eisen los te koppelen van de lokale situatie. Strenge eisen voor vlakheid bij een slappe heterogene ondergrond zijn veel duurder dan bij een zandige ondergrond en het is de vraag of de weggebruiker bereid is voor die meerkosten te betalen? Verder constateren diverse mensen hetzelfde als Marco Oosterveld: gebruikerseisen zijn moeilijk te vertalen naar technische eisen voor het ontwerp. Er is dus een vertaalslag nodig van gebruikerseis naar technische eis waarop kan worden ontworpen.
Klik hier als u zich wilt aanmelden voor de werkgroep.
Sessie 2: Benodigd grondonderzoek in de tenderfase
Sessie-voorzitter: Ad van Leest (CROW) Sprekers: Henkjan Beukema (RWS-DWW), Rajesh Sukhraj (ADVIN), Joris van Ruijven (DC-BVW).
Nu door nieuwe marktverhoudingen en strengere eisen aan de beschikbaarheid, duurzaamheid en het comfort van wegen de verdeling van verantwoordelijkheden tussen opdrachtgevers en -nemers is veranderd is het belangrijk om goed te kijken naar het onderwerp grondonderzoek. Hoeveel grondonderzoek moet de opdrachtgever bijvoorbeeld minimaal hebben gedaan in de tenderfase? Kan hij van de partijen die inschrijven op een aanbesteding verwachten dat zij in korte tijd aanvullend grondonderzoek doen? En welk type grondonderzoek is in welke fase het handigst? Over dit soort vragen en de vormgeving van het tenderproces is tijdens de sessie over benodigd grondonderzoek gediscussieerd. Doel was om de behoefte aan een werkgroep vast te stellen en richting te geven aan het resultaat van een dergelijke werkgroep.
Henkjan Beukema van Rijkswaterstaat DWW stelde een rationele fasering en inhoudelijke indeling van het grondonderzoek voor en vroeg aan de aanwezigen of de markt hiermee uit de voeten zou kunnen. Rajesh Sukhraj van ADVIN hield een pleidooi voor een betere afstemming tussen de gestelde eisen (waaronder de dwarshelling) en het beschikbare grondonderzoek. Hierna gaf Joris van Ruijven van Delft Cluster aan met welke producten Delft Cluster aansluit bij de geschetste problematiek. Een afweegmodel voor grondonderzoek is hiervan een tastbaar voorbeeld. Vervolgens startte een discussie over het format waarin grondonderzoek wordt aangeleverd en de tijd die opdrachtnemers krijgen om aanvullend grondonderzoek uit te voeren. De meeste deelnemers deelden de mening dat opdrachtnemers bij de huidige contractvormen een deel van de risico’s dragen, maar geen stem hebben in het aangeleverde grondonderzoek. Klik hier voor de presentatie van Henkjan Beukema>>> Klik hier voor de presentatie van Rajesh Sukhraj>>> Klik hier voor de presentatie van Joris van Ruijven>>>
Een aantal van de aanwezigen was van mening dat een werkgroep van CUR of CROW verdere invulling zou moeten geven aan heldere richtlijnen en toolontwikkeling. De deelnemers waren eensgezind in de conclusie dat betere afspraken over het benodigde grondonderzoek in de tenderfase noodzakelijk zijn.
Klik hier als u zich wilt aanmelden voor de werkgroep.
Sessie 3: Integraal Wegontwerp
| 3e sectorbijeenkomst Blijvend Vlakke Wegen, 9 oktober 2006, Ede |
| Sessie-voorzitter: Ruud Termaat (CUR) |
| Sprekers: Arthur van Dommelen (RWS-DWW), Christ van Gurp (KOAC-NPC), Arjan Venmans (DC-BVW). |
In hun inleidingen geven Arthur van Dommelen (RWS, DWW) en Christ van Gurp (KOAC-NPC) enkele voorbeelden uit hun dagelijkse praktijk waar interactie tussen boven- en onderbouw een rol speelt. De behoeften voor verbetering liggen vooral op het gebied van instrumentarium, eisen en criteria, en toetsmethoden. Om beter te kunnen samenwerken is het verder gewenst dat ontwerpers van boven- en onderbouw elkaars taal (beter) leren spreken.
Arjan Venmans (Delft Cluster) presenteert de conclusies uit interviews met opdrachtgevers en marktpartijen. Opdrachtnemers hebben sterk behoefte aan een berekeningsmethode die ook door de opdrachtgever is geaccepteerd. Opdrachtgevers zouden bewuster moeten omgaan met de gevolgen van hun eisen voor de kosten en de risico’s voor de aannemer. Allen zien samenwerking van alle betrokkenen als voorwaarde voor een succesvolle werkgroep.
De belangrijkste conclusie uit de levendige discussie is dat niet alleen de fysica van het ontwerp van belang is voor het bevorderen van integraal wegontwerp. Het bevorderen van communicatie tussen boven- en onderbouwontwerpers is een kritieke succesfactor. Uitbouw van reeds beschikbare Eindige Elementen Methoden lijkt nuttig om integraal ontwerp mogelijk te maken. Voor standaardberekeningen is een vertaalslag nodig vanuit de Eindige Elementen Methoden.
Volgens de deelnemers leidt het beter omgaan met de interactie tussen boven- en onderbouw vooral bij wegen van een lagere orde tot winst. Bij wegen van hogere orde speelt de interactie vooral bij wegverbredingen. De betere modellering van interactie tussen onderbouw en bovenbouw geeft ook meer inzicht in het realiteitsgehalte van de huidige zettingseisen aan de onderbouw. Ook zal duidelijker worden hoe bovenbouwontwerpers moeten omgaan met de grote bandbreedtes uit het ontwerp van de onderbouw.
Er is grote belangstelling voor een vervolgbijeenkomst om de koers van de werkgroep te bepalen. De invulling van de werkgroep moet aansluiten bij het probleemgebied. Essentieel voor het slagen van de werkgroep is de aanwezigheid van alle spelers uit het veld: opdrachtgevers, ingenieursbureaus en aannemers.
Presentatie v. Dommelen
Presentatie van Gurp
Presentatie Venmans
Intekenen Werkgroep
Sessie 4: Ontwerprichtlijn Paal-matras systemen
| 3e sectorbijeenkomst Blijvend Vlakke Wegen, 9 oktober 2006, Ede |
| Sessie-voorzitter: Almer van der Stoel (CRUX), als vervanger van de zieke Fred Jonker (CUR) |
| Sprekers: Jan van Dalen (Gemeentewerken R'dam), Suzanne van Eekelen (DC-BVW), Almer vd Stoel (CRUX) |
De sessie startte met drie inleidingen. Suzanne van Eekelen vertelde dat Delft Cluster van plan is een tool (MPiro) te ontwikkelen voor het snel ontwerpen van complete paalmatrassystemen. Hiervoor is consensus over een Nederlandse ontwerprichtlijn noodzakelijk. Op basis van welke mechanismen en aannamen moet de belasting van het geotextiel en palen bijvoorbeeld worden berekend? Geeft de ondergrond wel of geen steun en is de veiligheidsfilosofie te veilig?
Almer van der Stoel benadrukte het belang van een Nederlandse ontwerprichtlijn met een analytisch rekenmodel, zodat in een tenderfase snel kan worden ontworpen en begroot. Hij stelde ondermeer de vraag of palen van een paalmatrassysteem volgens de NEN moeten worden berekend of dat je de palen moet beschouwen als een vorm van grondverbetering.
Jan van Dalen benoemde de voordelen van paalmatrassystemen: een hoge bouwsnelheid en de mogelijkheid om vrijwel zettingsloos te bouwen. Moet je bij traditionele aanlegmethoden uitgaan van zettingen van enkele decimeters in twintig tot dertig jaar, bij paalmatrassystemen kun je naar enkele millimeters in 50 jaar. Vaak is een dergelijke strenge restzettingseis niet nodig, maar de technische mogelijkheden bieden ruimte om te optimaliseren tussen zettingsgedrag en kosten. Volgens Van Dalen is het wel belangrijk te beseffen dat de keuze voor een paalmatrassysteem het toekomstige gebruik van de omgeving beperkt. Denk aan ophogingen nabij het matras en kruising met en aansluiting op andere infra.
Tijdens de discussie werd onder meer gesteld dat in een tender voor een weg of wegverbreding weinig tijd beschikbaar is voor het maken van een ontwerp. Tijd voor discussie over de vraag hoe een paalmatrassysteem moet worden ontworpen ontbreekt dan. Daarom is er behoefte aan een Nederlandse ontwerprichtlijn voor paalmatrassystemen. Deze moet worden gepubliceerd in een (soort) CUR- rapport. De ontwerprichtlijn moeten antwoord geven op vragen als: is een paalmatrassysteem een kunstwerk of een grondconstructie, welke mechanismen bepalen de belasting op het geotextiel, geeft de slappe ondergrond wel of geen steun en veiligheidsfilosofie moet worden gebruikt?
Daarnaast is er behoefte aan een analytisch ontwerpinstrument, waarmee snel en met een grote zekerheid kan worden ontworpen. In dit instrument moeten verschillende paal- en matrassoorten worden meegenomen, zowel met slanke als brede palen. Delft Cluster is van plan zo’n ontwerpinstrument (MPiro) te ontwikkelen en vindt het zinvol als een werkgroep aangeeft welke wensen marktpartijen hebben. Belangrijk is dat het nieuwe ontwerpinstrument ook inzicht geeft in de globale (life-cycle) kosten van het paalmatrasontwerp, bij voorkeur in relatie tot andere typen wegconstructies.
De deelnemers vinden het zinvol om een werkgroep op te zetten, waaraan alle belangstellenden kunnen meedoen. De werkgroep zal moeten werken aan consensus over een Nederlandse richtlijn en sturing geven aan het onderzoek van Delft Cluster
Presentatie van Dalen
Presentatie vd Stoel
Presentatie v. Eekelen Intekenen Werkgroep
Sessie 5: Effectieve Overgangsconstructies
| 3e sectorbijeenkomst Blijvend Vlakke Wegen, 9 oktober 2006, Ede |
| Sessie-voorzitter: |
Jan Knol (CROW) |
| Sprekers: |
Arian de Bondt (Ooms Avenhorn), Henk Hogeweg (Strukton Railinfra), Paul Hölscher (DC-BVW), Arend Kremer (ProRail) |
De sessie begon met drie inleidingen. Paul Hölscher van GeoDelft vertelde dat het Delft Cluster onderzoek zich richt op het langetermijngedrag van de onderbouw onder dynamische stootbelastingen. Arend Kremer van ProRail sprak de verwachting uit dat de werkgroep resultaten zal boeken die ProRail kan gebruiken bij het ontwerpen, beoordelen en bouwen van spoorwegen, met name onder Design en Construct. Henk Hogeweg van Strukton Railinfra stelde dat vanuit de spoorwegbouw behoefte is aan strategieën om niet-functionerende overgangsconstructies te verbeteren, terwijl Arian de Bondt van Ooms Avenhorn aangaf dat vroegtijdig overleg tussen de wegenbouw, de geotechniek en de voertuigtechniek de problematiek moet verkleinen.
Tijdens de discussie bleek dat er behoefte is aan een life-cycle beschouwing van de problematiek: hoe hoog is de investering voor duurzame overgangsconstructies en hoeveel bespaar je vervolgens op onderhoud. Verder is er behoefte aan een overzicht van cases en successtories. ProRail heeft met Delft Cluster het kostenaspect bekeken: tien tot vijftien procent van het onderhoudsbudget van € 200 miljoen wordt besteed aan overgangsproblemen.
Volgens de deelnemers moet de werkgroep aan de hand van cases de problematiek aanpakken. Mogelijk kunnen resultaten van andere werkpakketten, zoals het afwegingsmodel voor wegen, als startpunt voor de beschouwingen dienen. De invloed van zettingen overheerst deze problematiek, maar het schadebeeld lijkt wel progressief te zijn door andere aspecten zoals dynamische effecten, de stijfheidssprong in de constructie en de langsonvlakheid.
De deelnemers spreken zich duidelijk uit over de rolverdeling. Het onderzoek van Delft Cluster moet inzicht geven in de interactie. De werkgroep moet voor wegen en spoorwegen de cases verder uitwerken, strategieën voor nieuwbouw, renovatie en onderhoud bekijken en de kennis vertalen naar ontwerp en opleveringsrichtlijnen. Deze kunnen in de vorm van boekjes, maar mogelijk ook via een internetsite worden verspreid. De resultaten moeten inventiviteit en concurrentie van de deelnemers stimuleren.
Presentatie de Bondt
Presentatie Hogeweg
Presentatie Kremer
Presentatie Holscher Intekenen Werkgroep
|