Rapporten
Werkpakket 1 Herontwikkeling Wetlands, haalbaarheid (fase 1)
Rapport Wetlands in het IJsselmeer: Eindrapport fase 1
Dit is het eindrapport van Fase 1 van het project ‘Wetlands in het IJsselmeer’, waarin een integrale langetermijnvisie is ontworpen voor herinrichting van het IJsselmeergebied. Daartoe is, in samenspraak met deskundigen, overheidsinstanties, NGO's en andere belanghebbenden, een diepgaande analyse uitgevoerd van bestaande en toekomstige problemen en hun mogelijke oplossingsrichtingen. Daarnaast is onderzocht of herinrichting haalbaar is binnen de vigerende wettelijke kaders. De werkwijze die in het project is gekozen gaat uit van een omkering van de traditionele planologische volgorde: ‘groen en blauw vóór rood en grijs’. ‘Groen’ staat voor natuur en landschap, ‘blauw’ voor waterhuishouding, ‘rood’ voor bebouwing en ‘grijs’ voor infrastructuur. De voornaamste reden voor deze volgorde is dat – in de visie van de opstellers van dit rapport – collectieve, veelal ongeprijsde goederen voorrang verdienen in de ruimtelijke inrichting, omdat ze anders het onderspit dreigen te delven in het spel der vrije marktkrachten. En dit terwijl ze wel degelijk een grote maatschappelijke waarde vertegenwoordigen. Het belang van deze werkwijze wordt onderstreept door de volgende ontwikkelingen: • Het ‘groene’ thema wordt steeds meer bestreken door strenge regelgeving. Ten eerste de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in Nederland uitgevoerd door de recente renovatie van de Natuurbeschermingswet. Hierdoor is het behoud van natuurwaarden in IJsselmeer, Markermeer en IJmeer een gegeven geworden. Ten tweede wordt momenteel de Kaderrichtlijn Water ingevoerd, die uitgaat van een grote mate van natuurlijkheid van oppervlaktewateren. • In het ‘blauwe’ thema wordt de klimaatverandering een grote factor van betekenis. Dit gaat ingrijpende gevolgen hebben voor de manier waarop het IJsselmeergebied beschermd moet worden tegen overstromingen en voor het zoetwaterbeheer, waarin het IJsselmeergebied een belangrijke rol speelt.
Werkpakket 2 Herontwikkeling Wetlands, eerste vervolgstudie (fase 2)
Wetlands in het IJsselmeer: Haalbaarheid en draagvlak: Resultaten consultatieronde: Eindrapport Fase 2a
Voor u ligt het rapport 'Haalbaarheid en draagvlak' van Stichting Wetlands in het IJsselmeer, dat een overzicht geeft van de behaalde resultaten van fase 2a van het project. De doelstelling om draagvlak te creëren en media-aandacht te krijgen voor de Wetlands visie is behaald: het IJsselmeergebied als belangrijke ontwikkeling staat op de agenda. Dit geldt ook voor de notie dat er een 'groen-blauw' kader noodzakelijk is en dat daarbinnen over recreatie, wonen en mobiliteit gesproken kan worden. Fase 2a is een vervolg op fase 1 waarvan het eindrapport in juni 2006 verscheen. De belangrijkste conclusies uit dat rapport hebben geleid tot het ingaan van deze fase, waarin een uitgebreide stakeholderconsultatie en het maken van een analyse van de (maatschappelijke) kosten en baten centraal moesten staan. Het doel hiervan was: Het verkrijgen van politiek en bestuurlijk draagvlak, zodat partijen zich inspannen om aandacht voor herinrichting van het IJsselmeer op basis van de Wetlands-visie in het beleid te verankeren, bijvoorbeeld door opname in partijprogramma’s en / of het regeerakkoord. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de doelstelling, de activiteiten en de gevolgde strategie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de behaalde resultaten. De in dit project toegepaste procesarchitectuur wordt in Hoofdstuk 4 beschreven. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen. Op verzoek van de medefinanciers, de Raad van Toezicht en Leven met Water is in dit rapport een hoofdstuk over de ontwikkelde procesarchitectuur opgenomen.
Rapport Wetlands in het IJsselmeer: Haalbaarheid en draagvlak: Resultaten consultatieronde: Eindrapport Fase 2a
Voor u ligt het rapport 'Haalbaarheid en draagvlak' van Stichting Wetlands in het IJsselmeer, dat een overzicht geeft van de behaalde resultaten van fase 2a van het project. De doelstelling om draagvlak te creëren en media-aandacht te krijgen voor de Wetlands visie is behaald: het IJsselmeergebied als belangrijke ontwikkeling staat op de agenda. Dit geldt ook voor de notie dat er een 'groen-blauw' kader noodzakelijk is en dat daarbinnen over recreatie, wonen en mobiliteit gesproken kan worden. Fase 2a is een vervolg op fase 1 waarvan het eindrapport in juni 2006 verscheen. De belangrijkste conclusies uit dat rapport hebben geleid tot het ingaan van deze fase, waarin een uitgebreide stakeholderconsultatie en het maken van een analyse van de (maatschappelijke) kosten en baten centraal moesten staan. Het doel hiervan was: Het verkrijgen van politiek en bestuurlijk draagvlak, zodat partijen zich inspannen om aandacht voor herinrichting van het IJsselmeer op basis van de Wetlands-visie in het beleid te verankeren, bijvoorbeeld door opname in partijprogramma’s en / of het regeerakkoord. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de doelstelling, de activiteiten en de gevolgde strategie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de behaalde resultaten. De in dit project toegepaste procesarchitectuur wordt in Hoofdstuk 4 beschreven. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen. Op verzoek van de medefinanciers, de Raad van Toezicht en Leven met Water is in dit rapport een hoofdstuk over de ontwikkelde procesarchitectuur opgenomen.
Rapport Wetlands in het IJsselmeer: Kengetallen kosten-batenanalyse Wetlands in het IJsselmeer
Dit document is een van de resultaten van fase 2a van het project Wetlands in het IJsselmeer. Fase 2a richt zich op de haalbaarheid en het draagvlak voor herinrichting van het IJsselmeer. Stichting Wetlands heeft wetenschappelijk onderzoek verricht naar de huidige en toekomstige problemen in het IJsselmeergebied bij ongewijzigd beleid voor natuur, veiligheid en economie. Daarbij is een inschatting gemaakt van kansen en bedreigingen voortkomend uit het wettelijke kader. Vervolgens is gezocht naar innovatieve langetermijnoplossingen voor gesignaleerde problemen. Tijdens dit onderzoeksproces zijn regelmatig experts en stakeholders geraadpleegd om zo te zorgen voor breedte en diepte van de analyse. De uitgangshypothese is dat door het aanleggen van wetlands (waaronder o.a. verstaan wordt ver(on)diepingen, moerassen, eilanden, luwtes, onregelmatige kusten, rietlanden etcetera) een drastische verbetering in natuur- en waterfuncties kan worden gerealiseerd, waarna 'rode' functies kunnen worden ingepast. Het project integreert onderzoek naar natuur, landschap, waterkwaliteit en –kwantiteit, veiligheid, klimaatverandering en economische gebruiksfuncties. In dialoog met experts en stakeholders wordt een visie tot herinrichting van het IJsselmeergebied ontwikkeld en getoetst op zijn maatschappelijk draagvlak. In fase 1 is probleemverkenning opgesteld en zijn oplossingsrichtingen verkend. Fase 2 richt zich op de maatschappelijke haalbaarheid en draagvlak. Beoogd resultaat van het project is tweeledig. Ten eerste gaat het om een structuurplan met daarin een uitgewerkte ruimtelijke visie, vastgelegd in kaartbeelden, horizonschetsen e.d. Daarbij gaat het om de noodzakelijke versterking van ‘groen’ en ‘blauw’, met inpassing van ‘rood’ en ‘grijs’. Dit moet leiden tot herinrichting van het IJsselmeergebied met het oog op het bereiken van een duurzame, robuuste situatie. De Stichting koerst daarbij niet af op één concreet plan, maar beziet alle bestaande op hun merites en ontwikkelt een aantal goed onderbouwde planvarianten, die consistent zijn met • Stuurfactoren die van buitenaf inwerken op het systeem • Ontwikkelingen van het systeem zelf • Wensen uit het maatschappelijke krachtenveld Het tweede doel is het aanreiken van een nieuwe procesarchitectuur om grote ruimtelijke projecten te ontwikkelen en tot uitvoering te komen. Hiervoor maakt de Stichting Wetlands gebruik van een eigen methodiek om in dialoog met stakeholders en op basis van gedeelde kennis samen tot optimale keuzes te komen. Hiermee hoopt de Stichting om nieuw elan te creëren voor ambitieuze toekomstplannen in Nederland. De onderhavige rapportage geeft inzicht in de haalbaarheid van de aanpak met Wetlands door op basis van kentallen de maatschappelijke kosten en baten van het project te presenteren.
Wetlands in het IJsselmeer: Van Zuiderzeewerken naar IJsselmeerwerken: Eindrapport fase 2b
Stichting Wetlands in het IJsselmeer heeft de afgelopen jaren gefungeerd als aanjager van het debat over het IJsselmeergebied. Dit vanuit de onderkenning dat er in de Zuiderzeewerken een nieuwe slag gemaakt dient te worden, omdat zich nu trends en behoeften aandienen die bij de conceptie van de Zuiderzeewerken, honderd jaar geleden, niet kenbaar waren. De gedachte hierachter is dat de functie die dit ‘Blauwe Hart’ te vervullen heeft bij de verdere inrichting van ons land, onder andere in relatie tot de mogelijke effecten van de klimaatverandering, een nieuwe planningshorizon van honderd jaar nodig maakt. De ontwikkelopgave op deze tijdschaal hebben we de ‘IJsselmeerwerken’ genoemd. Stichting Wetlands gaat ervan uit dat een dergelijke opgave alleen tot een bevredigend resultaat kan leiden wanneer dat in samenspraak gaat met de complete ‘vertooggemeenschap’: alle partijen die bij de problematiek betrokken zijn, waaronder diverse overheden én een breed circuit van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s), zoals natuurbeschermers, recreatieorganisaties, ondernemers en actiegroepen. De invloed van NGO’s en het bestuurlijke complement daarvan – de verminderde doorzettingskracht van overheden – verklaart de algeheel als ‘stroperig’ ervaren besluitvorming rondom ruimtelijke inrichtingsvraagstukken. Een nieuwe besluitvormingsmethode is nodig, met als sleutelbegrip vroegtijdige en diepgaande interactie met alle betrokken partijen. De interactie strekt zich uit van de probleemdiagnose, via de verkenning van oplossingsrichtingen, naar het feitelijke planningproces. Wetenschappelijke kennis fungeert daarbij als ankerpunt, ook al hebben de diverse betrokkenen verschillende percepties op die kennis. Deze werkwijze sluit nauw aan bij het advies ‘Sneller en Beter’ van de Commissie-Elverding, van april 2008.
Werkpakket 3 Oeverstabiliteit bij verdieping waterbodem
Oeverstabiliteit in zandwinputten: Rekenmodel HMBreach
In de “Blik op de toekomst” van de CUR commissie C130 is gesteld dat kennisontwikkeling in de komende jaren zich zou moeten richten op de volgende doeleinden: - verbetering van de kwantificering van de invloed van baggermaterieel en baggermethode op de taludvorming, dus ook op de inscharing, als functie van de grondopbouw, waardoor onzekerheden omtrent het winproces worden teruggedrongen - reductie van de onzekerheid over de vraag of een eenmaal gevormd steil talud in vastgepakt zand stabiel is onder alle omstandigheden of dat onbeheerste bresvorming ook kan ontstaan door natuurlijke oorzaken. Dit kan bereikt worden door een verdere ontwikkeling en integratie van de geotechnische deelmodellen voor verweking van GeoDelft en de hydraulisch-morfologische modellen voor bresvorming van WL | Delft Hydraulics. Deze rekenmodellen worden thans reeds toegepast voor de adviespraktijk door WL | Delft Hydraulics en GeoDelft. Op het “Mini-symposium” van 15 februari 2006 is besloten dat dit de meest kansrijke methode is om gezien budget en tijd op korte termijn resultaten te bereiken. In het kader van Delft Cluster is reeds in een gezamenlijk rapport opgesteld in 2003 aangeduid hoe deze numerieke modellering zou kunnen worden verwezenlijkt. In het huidige Delft Cluster is een koppeling en integratie van de rekenmodellen voorzien. Op een gefaseerde wijze zal dit numerieke model worden opgeleverd en uitgebreid tot een model dat gevalideerd is en geschikt is voor gebruik in de adviespraktijk door de participanten in het Delft Cluster onderzoek.
Oeverstabiliteit bij verdieping waterbodems: Rekenmodel HMBreach
Dit rapport betreft de eindrapportage van Delft Cluster project WP 04 43 11, Stabiliteit Oevers bij verdieping Waterbodem, in Ontwikkeling Wetlands, dat vier jaar heeft gelopen en thans is afgerond met budgetten in het kader van BSIK en eigen “matching” speurwerk van Deltares. In het verleden is in het kader van het onderzoek Storten van Zand voor RWS Deltadienst en CSB Combinatie Speurwerk Baggertechniek in de jaren ’70 tot ’90 bij Deltares veel kennis en ervaring opgedaan op het gebied van zand-watermengsel stromingen en erosieprocessen in zand en slib. Deze kennis is verder ontwikkeld en toegepast op het gebied van baggeren, turbidity currents in submarine canyons en stabiliteit onderwaterhellingen van zandwinputten. Kenmerkend is het terugschrijdend erosieproces langs een zandtalud, bressen genoemd, dat een zandwatermengselstroom als dichtheidsstroom voedt. Hiervoor is het rekenmodel HMBreach ontwikkeld. Aanverwante vakgebieden zijn oever- en bankerosie, terugschrijdende erosie (head-cut erosion) en specifiek voor waterkeringen, bresgroei bij dijkdoorbraak en stabiliteit vooroevers. Op het gebied van oeverstabiliteit zandwinputten is in 2001 door WL | Delft Hydraulics een studie voor de Provincie Overijssel uitgevoerd (Z3014) waaruit naar voren kwam dat veel opgetreden oeverinscharingen te wijten zijn aan een onbeheerst bresproces, zie bijv. foto 1. Tot voor kort was bij onderwatertaluds alleen een analyse op gevoeligheid voor zettingsvloeiing gebruikelijk. Dit heeft geresulteerd in een beleidsnotitie van de Provincie Overijssel waarin specifieke analyse van de taludhellingen en de werkwijze tijdens het zandzuigen wordt aanbevolen, gebruik makend van het rekenmodel van WL | Delft Hydraulics. In het rapport van WL | Delft Hydraulics werd voorgesteld een landelijke aanbeveling op te stellen voor ontwerp en beheer van oevers van zandwinputten. Dit heeft geresulteerd in de CUR aanbeveling 113 die is opgesteld in samenwerking met vergunningverleners, zandwinners en consultants, GeoDelft en WL | Delft Hydraulics, 2008. Daarnaast is in kader van Delft Cluster een verder onderzoek gestart, WP 04 43 11, waarbij Deltares het rekenprogramma HMBreach heeft ontwikkeld en aan de participanten beschikbaar gesteld. Dit rapport vormt achtergrond, documentatie en handleiding van het rekenmodel HMBreach. Het rekenmodel, evenals dit rapport is opgesteld door Dick R. Mastbergen, de software in C# is verder ontwikkeld bij WL | Delft Hydraulics en Deltares door Rob Brinkman en Anouar Manders.
Monitoring Bresvorming: Meetplan
In dit rapport is een meetplan beschreven voor monitoring van de bresvorming en taludontwikkeling tijdens zandwinning. De beschrijving vindt plaats in het kader van het Delft Cluster werkpakket ‘Oeverstabiliteit bij verdieping waterbodem’. Het plan moet dienen als basis voor een concreet plan zodra er zich een concrete mogelijkheid voordoet om te meten. Het doel van de metingen is om na te gaan of de (theoretische) modellering van de taludvorming in de juiste richting gaat en om vervolgens de waarde van empirische parameters te kunnen schatten. Het gaat daarbij vooral om hoogfrequente metingen van het taludoppervlak rond een zuigmond. Voorgesteld wordt om een peilvlet uit te rusten met een RTK-DGPS positioneringssyteem. Voor de dieptewaarnemingen gaat de voorkeur uit naar de combinatie van een multibeam echolood en een singlebeam echolood. Om de stand van de vlet in de ruimte te bepalen zal een standopnemer geïnstalleerd moeten worden. De data, afkomstig vanaf de verschillende sensoren, worden opgeslagen in de online-computer. Aan boord van de zuiger zal een baggercomputer aanwezig moeten zijn om de positie van het zuigpunt in de tijd op te slaan. Naast de positiegegevens, zijn ook de productie gegevens (mengseldichtheid en mengselsnelheid als functie van de tijd) en algemene karakteristieken van de zuiger van belang Voordat begonnen wordt met het uitvoeren van de metingen dient de gehele meetconfiguratie gecontroleerd en gekalibreerd te worden. Nadat alle meetgegevens ingewonnen zijn kunnen de data verwerkt worden. Eventuele fouten worden verwijderd en alle gegevens worden herleid tot RD-Coördinaten en NAP hoogtes. Vervolgens wordt de data digitaal in een ASCII bestand aangeleverd en waar mogelijk grafisch gepresenteerd in dieptelijnen kaarten en dwarsprofielen uitgezet in de tijd. Naast de metingen tijdens winning, wordt tevens voorgesteld om een in- en uitpeiling uit te voeren. Verder zijn gegevens over de ondergrond essentiëel voor de interpretatie en moeten daarom grondmechanische metingen zijn of worden uitgevoerd. Ook het plaatsen van waterspanningsmetingen in het talud kan overwogen worden.
Statische verweking talud: Handleiding Windows versie SLIQ2D
SLIQ2D is een quasi-2D computerprogramma waarmee het optreden voorspeld kan worden van een verwekingsvloeiing ofwel een instabiliteit van een onderwatertalud ten gevolge van verweking, gegeven de taludhelling, relatieve dichtheid en materiaaleigenschappen van het zand. Dit programma is in 1994 door Grondmechanica Delft ontwikkeld deels in opdracht van Rijkswaterstaat. Ter begeleiding van het programma is het “Handboek Zettingsvloeiingen” geschreven [GeoDelft 1994]. Daarin is niet alleen een gebruikershandleiding opgenomen, maar vooral een uitgebreide toelichting op de achtergrond van het model: de beschrijving van het proces verweking en de mathematische formuleringen in SLIQ2D. Dit heeft als reden dat de bediening van het model eenvoudig is, maar dat de beoordeling van de SLIQ2D resultaten dat niet zijn. De achtergronden van het model zijn ook gepubliceerd in de internationale literatuur. Zie [Stoutjesdijk e.a. 1998] en [de Groot & Stoutjesdijk 1997]. Meer recente inzichten zijn gepubliceerd in [de Groot e.a. 2007]. Volgens die inzichten is SLIQ2D nog steeds een nuttig instrument bij de beoordeling van de kans op een verwekingsvloeiing. Het oorspronkelijke programma uit 1994 draait echter alleen op pc’s met een MS-DOS besturingssysteem. Aangezien MS-DOS vrijwel niet meer gebruikt wordt is in het kader van DC WP 044311 een Windows versie van het programma ontwikkeld, met een verbeterde grafische weergave van invoer (geometrie talud) en resultaten. Deze nieuwe versie blijft SLIQ2D heten. Onderhavig rapport bevat: - een gebruikershandleiding voor de Windows versie van het rekenmodel SLIQ2D, waarin het rekenhart van het oorspronkelijke model onveranderd is gebleven, maar met een verbeterde grafische presentatie van invoer (geometrie talud) en resultaten en enkele extra mogelijkheden wat betreft invoer van taludgeometrie. - bepaling invoerparameters SLIQ2D, zowel voor het geval laboratoriumproeven zijn gedaan, als voor het geval weinig gegevens beschikbaar zijn.
Blik op de toekomst: Zandwinputten en oeverinscharing. CUR-commissie C130 'Zandwinputten en taludstabiliteit'
In ‘Aanbeveling 130 – Oeverstabiliteit bij zandwinputten’ formuleert CUR-commissie C130 de adviespraktijk die thans het meest aanbevelingswaardig is. Het is de verwachting dat de adviespraktijk de komende jaren aangepast moet worden in verband met de ontwikkeling van nieuwe kennis en nieuwe technieken. De ontwikkeling van nieuwe kennis en technieken hangt nauw samen met algemene ontwikkelingen in de komende 10 tot 20 jaar. Het is goed om daar bij stil te staan.
Werkpakket 4 Helder water (slibproblematiek zoetwatermeren)
Calibration suspended sediment model Markermeer
In deze studie is een computermodel voor het Markermeer opgezet, ingeregeld en gevalideerd. Het model beschrijft dynamsch de stroming van water, waterpeilen, golven en slib in het water en in de bodem. Het model is gecalibreerd voorde periode augustus 2007 - april 2008 en gevalideerd voor de periode daarna tot september 2008. In deze periode zijn hoogfrequente meetgegevens voor twee meetpalen in het Markermeer beschikbaar. Onafhankelijk daarvan is het model gevalideerd aan de hand van remote sensing beelden voor het jaar 2006.
Werkpakket 5 Schoon water (waterkwaliteit a.g.v. slibberging onder water in Wetlands)
Handleiding uitloging en verspreiding vanuit Depots: Naar een nieuw toetsingskader
De noodzaak om te baggeren in Nederland is evident. Dit werd onlangs opnieuw bevestigd door het in juli 2005 verschenen Kabinetstandpunt Waterbodems [1]. Hierin wordt aangegeven dat het uit economisch oogpunt (scheepvaart) noodzakelijk is om de baggerachterstand in Nederland op korte termijn weg te werken. Om de veiligheid in Nederland te kunnen waarborgen, zullen in de komende decennia bovendien grote hoeveelheden uiterwaardmateriaal vrijkomen in het kader van de projecten Ruimte voor de Rivier [2] en Zandmaas/Grensmaas [3]. Daarnaast is een aantal waterbodems zodanig vervuild dat in het kader van de Wet bodembescherming [4] sanering noodzakelijk is vanwege onaanvaardbare risico’s voor het oppervlaktewater, de natuur, de mens en het grondwater. Daarbij worden tevens de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water [5] in ogenschouw genomen. De ervaringen in de afgelopen decennia hebben geleerd dat verwerking en toepassing van alle vrijkomende baggerspecie niet haalbaar is. Dit heeft niet alleen te maken met de kosten van verwerking en toepassing, maar ook met de civieltechnische eigenschappen van baggerspecie. In het Kabinetstandpunt baggerspecie wordt ingezet op kosteneffectieve bestemmingen. Niet langer wordt een verwerking van 20% van het vrijkomende volume aan baggerspecie nagestreefd. Nadrukkelijker wordt ingezet op berging van baggerspecie in depots.
Uitloging en Verspreiding vanuit Depots: Overzicht resultaten 2004 en 2005 en doorkijk naar 2006
In 2004 is gestart met het project Uitloging en Verspreiding uit Depots (UVD). Uitloging betreft het uittreden van verontreinigingen uit het baggerspeciedepot en verspreiding is vervolgens de verplaatsing van de verontreinigingen in het watervoerend pakket. Aanleiding voor het project zijn de ervaringen bij gerealiseerde baggerspeciedepots en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, die aangeven dat uitloging en verspreiding uit depots achterblijven bij de in het huidige beleid (o.a. Beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie) gedane aannamen. De resultaten van het UVD-project zijn gerapporteerd in rapporten met een sterke technisch inhoudelijk karakter die met name bedoeld zijn voor specialisten. Deze samenvatting is bedoeld om de resultaten van het UVD-project en de toepassing van deze resultaten voor een breder publiek van ‘nietspecialisten’ toegankelijk te maken. Het UVD-project heeft drie hoofddoelstellingen: 1. Het verkrijgen van beter inzicht in de daadwerkelijke uitloging en verspreiding uit baggerspeciedepots op basis van metingen bij bestaande baggerspeciedepots. Met deze nieuwe inzichten kan in de toekomst de berekening van uitloging en verspreiding uit depots met behulp van modellen met minder onzekerheden plaatsvinden. Tevens kan monitoring van uitloging en verspreiding (t.b.v. nazorg van een depot) gerichter en kostenefficiënter plaatsvinden. 2. Opstellen van een voorstel voor een nieuw toetsingskader voor grondwater, oppervlaktewater en monitoring. Dit gebeurt aan de hand van de (meet)resultaten van het UVD-project en de meest recente beleidsontwikkelingen op het gebied van (water)bodem. Met het nieuwe toetsingskader kan de mogelijke uitloging en verspreiding uit depots beter worden getoetst en beoordeeld. Het is de bedoeling dat dit nieuwe toetsingskader het toetsingskader uit het Beleidsstandpunt verwijdering baggerspecie gaat vervangen. 3. Het communiceren van de nieuwe inzichten met betrekking tot uitloging en verspreiding uit baggerspeciedepots naar de maatschappij om de burgers beter inzicht te bieden in de werkelijke risico's van baggerspeciedepots.
Werkpakket 6 Biotools inzetten bij ontwikkeling wetlands
Rapport Biologische sedimentatie van gesuspendeerd slib en sedimentstabilisatie
In het kader van het Delft cluster onderzoeksprogramma Wetlands onderzoekt ‘Biotools’ methoden om de concentratie gesuspendeerd materiaal in een zoetwateromgeving versneld te laten bezinken door toevoeging van biologische additieven (biosedimentatie) en polysacchariden die flocculatie teweeg brengen waardoor gesuspendeerd slib sneller bezinkt (bioflocculatie). In de proefopzet werden 4 varianten vergeleken met de blanco (slib zonder verdere toevoeging): toevoeging van waterzuiveringsslib, toevoeging van een hogere concentratie waterzuiveringsslib, toevoeging van kationische en toevoeging van anionische polysacchariden. De eerste twee varianten zorgen initieel voor een snellere (bio)sedimentatie. De varianten met geladen polymeren zorgen voor uiteenlopende effecten: algengroei trad (sneller) op en kationen zorgen voor een dispersie van kleilamellen waardoor het materiaal langer in suspensie blijft en trager bezinkt. Behalve de initiële bezinksnelheid en concentratie bij evenwicht werd ook gekeken naar de effecten in de tijd. De proevenreeks duurde 11 dagen, en in de loop van de tijd ging de bezinksnelheid in alle proeven omlaag (minst in de blanco, maar de absolute bezinksnelheid was niet de minste van alle proeven in het begin).
Werkpakket 7 Natuurvriendelijke vooroevers in relatie met veiligheid van dijksystemen
Bezwijkgedrag van veen en humeuze klei: Beschikbare kennis en kennisleemtes
Door diverse min of meer parallel lopende projecten is er binnen GeoDelft veel aandacht voor het bezwijkgedrag van humeuze klei en veen. Dit heeft geleidt tot discussies over onder andere de betekenisan de hoge wrijvingshoek van veen en humeuze klei voorstabilliteitsanalyses, het ontstaan van schuifvlakken bij bezwijken van grond, numerieke modellering, het belang van heterogeniteit (o.a. Vezels in veen), het effect van de stijfheid van gronddeeltjes op de effectieve spanning en de waterspanningsontwikkeling in de grond door schuifvervorming. Naar aanleiding van deze discussies is de wens ontstaan grote bezwijkproeven op veen en humeuze klei uit te voeren. Er is nagedacht over de eisen die aan deze proeven worden gesteld, de wijze waarop de monsters kunnen worden gestoken en hoe de proeven zullen worden uitgevoerd. Ten behoeve van het project rekenen met ongedraineerde schuifsterkte, dat in opdracht van Delft Cluster wordt uitgevoerd, zijn de beschikbare kennis en de kennisleemtes betreffende het bezwijkgedrag van veen en humeuze klei op een rij gezet.
Veiligheid waterkeringen bij natuurontwikkeling wetlands in het IJsselmeergebied
Het IJsselmeergebied, waaronder behalve het IJsselmeer ook het Markermeer, IJmeer en de randmeren worden gerekend, heeft thans te lijden onder een achteruitgang van natuur- en landschapskwaliteit en een voordturende hoge ruimtelijke druk. Door alle belanghebbenden en betrokken is erkend dat deze problemen opgelost moeten worden en dat daarvoor een grootschalige herinrichting (of wellicht beter: een grootschalige afronding van de inrichting) van het IJsselmeergebied noodzakelijk is. Vanwege de uiteenlopende visies is het lastig gebleken om tot een voor alle belanghebbenden en betrokken bevredigende totaaloplossing te komen.
Werkpakket 8 Wetlands in het IJsselmeer: drinkwater/verzilting
Drinkwaterfunctie Markermeer en verzilting IJsselmeergebied
Het Markermeer is meer ‘climate proof’ dan het IJsselmeer en heeft onder het huidige waterbeheer minder last van verzilting als gevolg van klimaatverandering, zeespiegelstijging en veranderende hydrologie van de Rijn dan het IJsselmeer. Dit blijkt uit een modelstudie waarbij water en chloride dynamisch in de tijd zijn gesimuleerd. Herinrichtingsmaatregelen die gepland staan voor het Markermeer (zoals het aanleggen van een oermoeras of een slibput) hebben vrijwel geen effect op de chlorideconcentratie. Opvallend resultaat is dat het mee laten stijgen van het IJsselmeerpeil met de Waddenzee een positief effect heeft op de chlorideconcentratie in het IJsselmeer. De op korte termijn geplande omzetting van het bemalingsregime in zuidelijk Flevoland veroorzaakt een stijging van het chloridegehalte van maximaal 80 mg/l (tot boven 200 mg/l) in het Markermeer en maakt het water uit het Markermeer ongeschikt als grondstof voor drinkwater. Dit is gezien de kwetsbaarheid van het IJsselmeer voor toekomstige verzilting een ongewenste ontwikkeling. Uit een analyse van de monitoringsdata uit de DONAR database van Rijkswaterstaat en monitoringsdata van RIWA Rijn volgt dat macroionen als chloride, natrium en sulfaat in de huidige situatie geen bezwaar vormen om water uit het Markermeer te gebruiken als grondstof voor drinkwater. Problematisch voor het Markermeer is de concentratie zwevend stof die vrijwel ieder jaar boven de BKMO norm ligt. Mogelijk dat de helderheid in de Gouwzee hoger is door de aanwezigheid van kranswieren.
Veranderingen in het grondwatersysteem van het Markermeergebied
Voor het begrijpen van de oppervlaktewaterpeil-grondwater relatie en het bepalen van de uitstraling van peilverandering of deklaagvergraving van het Markermeer op zijn omgeving is een beter inzicht nodig over de opbouw van de ondiepe ondergrond en de variaties in de doorlatendheid (viz. hydraulische weerstand) van de deklaag. De onder de Holocene (veenklei) deklaag gelegen goed doorlatende zanden van de Formatie van Krefteneheye spelen een belangrijke rol bij dit proces. Uit het stijghoogten onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van alle meetpunten rond het Markermeer blijkt dat bijna overal wegzijging (infiltratie) plaatsvindt. Alleen op de plaats waar het Markermeer grenst aan de Utrechtse Heuvelrug (Naarden-Muiderberg) zal langs de oevers (dijkse) kwel optreden. Deze hoeveelheid zal een marginale invloed hebben op de waterbalans van het Markermeer. Het is onbekend hoe deze afzettingen van de Utrechtse Heuvelrug zich onder het Markermeer voortzetten en of deze voor kortsluiting wegzijgingsstroming naar bijvoorbeeld de Flevopolder kan leiden.
|